Stoppen met aanpassen: zo blijf je bij jezelf zonder de ander kwijt te raken
Je houdt rekening met anderen, bent behulpzaam en voelt vaak feilloos aan wat iemand nodig heeft. Mooie eigenschappen, totdat je merkt dat je vooral bezig bent met de ander en jezelf daarin steeds vaker vergeet. Stoppen met aanpassen betekent niet dat je voortaan alleen nog maar doet waar jij zin in hebt. Het betekent dat je leert om ook in lastige situaties bij jezelf te blijven.
Misschien herken je het. Tijdens een overleg ben je het ergens niet mee eens, maar je houdt je mond. Een collega vraagt of je nog iets extra’s kunt doen en voordat je goed en wel hebt nagedacht, heb je alweer ja gezegd. Of iemand reageert geïrriteerd op iets wat jij zegt en onmiddellijk begin je je af te vragen of je het anders had moeten brengen.
Achteraf weet je vaak precies wat je eigenlijk had willen zeggen. Je wist ook wel dat je agenda al vol zat of dat die opmerking van je collega niet terecht was. Toch lukte het op het moment zelf niet om daar iets mee te doen.
Klaar met stilvallen, aanpassen of twijfelen aan jezelf?
Terwijl je liever jezelf uitspreekt, je grenzen aangeeft en bij jezelf blijft. Ook in lastige gesprekken. In dit stappenplan ontdek je hoe dat natuurlijk kan, passend bij jou.
Direct in je mailbox

Dat is het interessante aan aanpassen: meestal ontbreekt het je helemaal niet aan kennis over wat je zou moeten doen. Er gebeurt op zo’n moment iets waardoor de reactie van de ander belangrijker wordt dan wat jij zelf vindt, voelt of nodig hebt.
Waarom passen we ons eigenlijk zoveel aan?
Aanpassen is op zichzelf helemaal niet verkeerd. We doen het voortdurend en gelukkig maar. Je houdt rekening met je collega’s, geeft iemand wat extra ruimte wanneer die het moeilijk heeft en soms doe je iets waar je zelf niet direct op zit te wachten omdat het belangrijk is voor iemand anders.
Het wordt iets anders wanneer aanpassen geen bewuste keuze meer is, maar een automatische reactie. Je zegt ja omdat nee zeggen ongemakkelijk voelt. Je houdt je mening voor je omdat je bang bent dat er gedoe ontstaat. Tegenover een dominante collega maak je jezelf wat kleiner, terwijl je thuis precies kunt vertellen wat je eigenlijk had willen zeggen.
Onder dat gedrag zit vaak een heel begrijpelijke behoefte. We willen graag gewaardeerd worden, bij de groep horen en prettig samenwerken met anderen. We willen liever geen ruzie en vinden het vervelend wanneer iemand teleurgesteld of boos op ons is.
Alleen kan rekening houden met de ander ongemerkt veranderen in voortdurend rekening houden met wat de ander misschien van jou zal vinden.
Dan verschuift je aandacht van:
Wat vind ik hier eigenlijk van?
naar:
Wat zal hij ervan vinden als ik dat zeg?
En precies op dat moment raak je jezelf een beetje kwijt.
Je aanpassen kan heel sociaal lijken
Mensen die zich veel aanpassen zijn vaak juist erg goed in het aanvoelen van anderen. Ze merken snel dat iemand geïrriteerd raakt, voelen spanning in een gesprek en weten meestal uitstekend wat er nodig is om de sfeer weer prettig te maken.
Dat is een kwaliteit, maar dezelfde kwaliteit kan zich ook tegen je keren.
Stel dat een collega aan het einde van de middag vraagt of jij nog iets wilt overnemen. Je agenda zit vol en je eerste reactie is eigenlijk: dat gaat me niet lukken. Vervolgens zie je de teleurstelling op het gezicht van je collega en hoor je jezelf zeggen:
“Nou vooruit, stuur maar door.”
Op zo’n moment heb je niet bewust besloten dat je die collega graag wilt helpen. Je hebt vooral gereageerd op het ongemak dat ontstond toen je merkte dat jouw nee voor de ander niet prettig zou zijn.
Dat verschil lijkt klein, maar is belangrijk. Want als dit regelmatig gebeurt, ben je niet meer alleen behulpzaam. Je bent jezelf aan het aanpassen om spanning, teleurstelling of afwijzing te voorkomen.
Aardig gevonden willen worden is iets anders dan aardig zijn
Thomas d’Ansembourg beschrijft in Stop met aardig zijn iets wat ik hierin interessant vind. Aardig zijn klinkt vanzelfsprekend positief, maar het wordt ingewikkeld wanneer aardig zijn een manier wordt om de goede vrede te bewaren. Je slikt iets in, beweegt mee of zegt dat iets geen probleem is terwijl je ondertussen iets heel anders voelt.
Dat betekent natuurlijk niet dat iedere vriendelijke of behulpzame reactie verdacht is. Het gaat om de vraag vanuit welke plek je iets doet.
Help je iemand omdat je dat werkelijk wilt?
Of help je omdat je bang bent dat de ander je anders egoïstisch vindt?
Laat je iets gaan omdat het voor jou niet zo belangrijk is?
Of zeg je dat het niet belangrijk is omdat je opziet tegen het gesprek dat ontstaat wanneer je wél zegt wat je vindt?
Van buitenaf kan het gedrag precies hetzelfde lijken. Voor jezelf voelt het meestal heel anders.
Stoppen met aanpassen is niet hetzelfde als alleen voor jezelf kiezen
Daar zit een misverstand waar ik in mijn coaching regelmatig tegenaan loop. Mensen die jarenlang veel rekening hebben gehouden met anderen denken soms dat assertiever worden betekent dat ze voortaan harder moeten optreden, vaker nee moeten zeggen en vooral hun eigen grenzen moeten bewaken.
Maar wanneer je van voortdurend aanpassen doorschiet naar “dit is wat ik wil en de rest zoekt het maar uit”, ben je niet ineens assertief geworden.
Assertiviteit gaat juist over twee belangen die naast elkaar mogen bestaan: dat van jou én dat van de ander.
Je hoeft dus niet te kiezen tussen aardig zijn en voor jezelf opkomen. Je kunt begrijpen dat een collega jouw hulp goed kan gebruiken en tegelijkertijd zeggen dat je vandaag geen ruimte hebt. Je kunt zien dat iemand teleurgesteld is over jouw beslissing zonder die beslissing onmiddellijk terug te draaien. En je kunt een andere mening hebben zonder van de ander een tegenstander te maken.
Dat klinkt eenvoudig, maar voor iemand die gewend is zich aan te passen zit precies daar vaak de moeilijkheid.
Waarom lukt het dan op het moment zelf niet?
Stel dat je tijdens een vergadering een voorstel doet en een collega reageert behoorlijk fel:
“Dat hebben we twee jaar geleden ook geprobeerd. Dat werkt dus gewoon niet.”
Je voelt onmiddellijk spanning. Misschien schiet je hartslag omhoog, voel je druk in je buik of merk je dat je gedachten alle kanten opgaan.
Misschien heeft hij wel gelijk.
Laat maar.
Ik wil hier geen toestand van maken.
En voordat je het weet zeg je:
“Nou ja, het was ook maar een idee.”
Een uur later zit je in de auto en voer je alsnog het gesprek. Alleen nu zonder je collega erbij. Opeens weet je precies waarom jouw voorstel wél zinvol was en wat je had kunnen antwoorden.
Dat vind ik altijd een interessant moment. Want blijkbaar kon je het wel. Je had alleen op het moment dat de spanning ontstond geen toegang meer tot wat je eigenlijk wilde zeggen.
Daarom heeft het weinig zin om jezelf achteraf streng toe te spreken met: de volgende keer moet ik gewoon wat assertiever zijn. De interessantere vraag is wat er tijdens dat gesprek met jou gebeurde waardoor je jezelf terugtrok.
Blijf eens even bij die spanning
We zijn geneigd spanning zo snel mogelijk weg te willen hebben. Zeker wanneer die ontstaat in het contact met iemand anders. We gaan uitleggen, sussen, toegeven, lachen iets weg of zeggen uiteindelijk maar niets meer.
Terwijl die spanning je juist iets kan vertellen.
Misschien merk je dat je bang bent dat iemand boos op je wordt. Misschien wil je koste wat kost voorkomen dat iemand je lastig vindt. Of misschien heb je tegenover bepaalde mensen razendsnel het gevoel dat zij het wel beter zullen weten.
In plaats van die reactie onmiddellijk te corrigeren, kun je er ook nieuwsgierig naar worden.
Wat gebeurt hier nu met mij? Waarom raakt deze reactie van de ander mij zo? Wat wilde ik eigenlijk zeggen voordat ik begon te twijfelen?
Daarmee ontstaat een kleine ruimte tussen wat er gebeurt en jouw automatische reactie daarop. En juist in die ruimte krijg je weer een keuze.
Wat is van jou en wat is van de ander?
Een vraag die daarbij enorm kan helpen is:
Wat is van mij en wat is van de ander?
Je collega mag teleurgesteld zijn wanneer jij een klus niet kunt overnemen. Je leidinggevende mag jouw voorstel niet geweldig vinden. Een vriend mag het jammer vinden dat jij ergens niet mee naartoe gaat.
Dat zijn reacties van de ander en die hoeven niet onmiddellijk door jou gerepareerd te worden.
Natuurlijk kun je ernaar luisteren en er rekening mee houden. Bij jezelf blijven betekent niet dat je ongevoelig wordt voor wat een ander ervaart. Het betekent wel dat je niet automatisch verantwoordelijk wordt voor het gevoel van die ander.
Dat onderscheid is belangrijk, omdat mensen die zich gemakkelijk aanpassen vaak razendsnel iets overnemen wat eigenlijk niet van hen is. De ander kijkt teleurgesteld en jij voelt je schuldig. De ander wordt boos en jij begint aan jezelf te twijfelen. De ander vindt jouw grens vervelend en jij vraagt je af of je die grens überhaupt wel had mogen stellen.
Voor je het weet ben je weer bezig met het oplossen van de reactie van de ander en is wat jij zelf wilde volledig uit beeld verdwenen.
Je hebt geen controle over wat een ander van je vindt
Daarmee komen we bij misschien wel het lastigste onderdeel van stoppen met aanpassen. Je zult moeten verdragen dat andere mensen soms iets van je vinden wat jij liever niet zou willen.
Je kunt zorgvuldig zijn en toch iemand teleurstellen. Je kunt vriendelijk nee zeggen en toch te horen krijgen dat je niet flexibel bent. Je kunt rustig je mening geven en iemand kan je alsnog lastig vinden.
Dat is vervelend, maar niet automatisch een teken dat je iets verkeerd hebt gedaan.
Wanneer je je gedrag voortdurend afstemt op de waardering van anderen, geef je hen ongemerkt behoorlijk veel invloed. Je moet dan steeds inschatten wat iemand verwacht en wat je moet doen om de relatie goed te houden.
Dat kost niet alleen veel energie, het is uiteindelijk ook een onmogelijke opdracht. Je hebt simpelweg niet in de hand wat een ander van je vindt.
Wat je wel kunt beïnvloeden is hoe jij je opstelt: heb ik gezegd wat voor mij belangrijk was, heb ik de ander daarbij serieus genomen en ben ik trouw gebleven aan wat voor mij klopt?
Dat is een veel steviger uitgangspunt dan proberen iedereen tevreden te houden.
Begin niet met grote grenzen, maar met kleine momenten
Stoppen met aanpassen hoeft daarom helemaal niet te beginnen met spectaculaire veranderingen. Juist in kleine dagelijkse situaties kun je ontdekken hoe snel je jezelf soms uit het oog verliest.
Wanneer iemand je onderbreekt, kun je je zin afmaken.
Wanneer een collega iets vraagt, hoef je niet onmiddellijk antwoord te geven maar kun je eerst kijken of het werkelijk past.
Wanneer iemand een opmerking maakt die je vervelend vindt, kun je benoemen wat die opmerking met je doet in plaats van mee te lachen.
En wanneer je tijdens een gesprek merkt dat je dichtklapt, hoef je jezelf niet te dwingen onmiddellijk het perfecte antwoord te geven. Alleen al herkennen dat je op dat moment geneigd bent jezelf terug te trekken, is een belangrijke stap.
Je leert dan niet een trucje om assertiever over te komen. Je leert eerder opmerken wanneer je jezelf begint te verlaten.
En als mensen jouw nieuwe gedrag niet leuk vinden?
Dat kan natuurlijk gebeuren.
Wanneer jij jarenlang degene bent geweest die altijd flexibel was, nooit moeilijk deed en meestal wel meeging, hebben mensen zich daar ook op ingesteld. Zodra jij iets anders gaat doen, verandert er dus niet alleen iets voor jou maar ook voor hen.
Misschien krijg je te horen:
“Sinds wanneer doe jij daar zo moeilijk over?”
Of:
“Vroeger was dat nooit een probleem.”
Dat kan precies genoeg zijn om weer te gaan twijfelen en terug te vallen in je oude gedrag.
Maar dat iemand moet wennen aan jouw grens, betekent nog niet dat die grens verkeerd is. Het kan ook betekenen dat jullie samen opnieuw moeten ontdekken hoe de verhouding eruitziet wanneer jij jezelf niet meer automatisch opzijzet.
En misschien verandert daardoor zelfs de kwaliteit van de relatie. Want werkelijk contact ontstaat niet doordat één persoon zich voortdurend zo vormt dat het voor de ander prettig blijft.
Daarvoor moeten er uiteindelijk twee mensen aanwezig zijn.
Stoppen met aanpassen betekent dat jij er ook nog bent
Je hoeft dus niet minder aardig, behulpzaam of betrokken te worden. Dat zijn waarschijnlijk eigenschappen die heel goed bij je passen en die anderen ook in je waarderen.
Het gaat erom dat je ze niet langer gebruikt ten koste van jezelf.
Dat je tijdens een gesprek niet alleen voelt wat de ander nodig heeft, maar ook blijft merken wat er bij jou gebeurt. Dat je een ander kunt begrijpen zonder automatisch toe te geven. Dat je spanning kunt voelen zonder onmiddellijk te besluiten dat jij degene bent die moet bewegen.
Misschien is dat uiteindelijk wel de eenvoudigste omschrijving van stoppen met aanpassen:
je hoeft de ander niet kwijt te raken om bij jezelf te kunnen blijven.
En je hoeft jezelf niet meer kwijt te raken om de ander te behouden.
In ’t kort
Stoppen met aanpassen betekent:
- Herkennen wanneer rekening houden met een ander verandert in jezelf wegcijferen.
- Opmerken wat er bij jou gebeurt wanneer een situatie spannend wordt.
- Onderscheid maken tussen wat van jou is en wat van de ander is.
- Uitspreken wat jij vindt, wilt of nodig hebt zonder de ander weg te duwen.
- Accepteren dat de ander daar soms anders op reageert dan jij zou wensen.
Je hoeft dus niet te leren hoe je voortaan minder aardig wordt. De uitdaging is veel interessanter: aardig, betrokken en sociaal blijven zonder jezelf daarbij steeds opnieuw te vergeten.
